Verklarende woordenlijst

Netto-activa: een boekhoudkundige term die verwijst naar alle activa van de onderneming, na aftrek van alle huidige of potentiële verplichtingen. De netto-activa die bij de Kenmerken van elke ICBE worden weergegeven, worden berekend op basis van D-1.

ABS: Een asset-backed-security (ABS), of een door activa gedekt effect, of een effect op onderpand van activa, is een effect waarvan de kapitaalstromen worden bepaald door die van een bepaald actief of een bepaalde portefeuille van activa. Meestal worden deze activa gecreëerd door middel van securitisatie. ABS-leningen zijn een van de meest courante vormen van securitisatie.

Alfa: alfa is een maatstaf voor de prestatie van een portefeuille ten opzichte van de referentie-indicator.

  • Een negatieve alfa betekent dat het deelbewijs/de klasse het minder goed heeft gedaan dan de indicator ervan (voorbeeld: wanneer de indicator in één jaar tijd met 10% stijgt, terwijl de winst van het deelbewijs/de klasse beperkt blijft tot 6%, bedraagt de alfa van het fonds -4).
  • Een positieve alfa betekent dat het deelbewijs/de klasse beter gepresteerd heeft dan de indicator ervan (voorbeeld: wanneer de indicator in één jaar tijd met 6% stijgt, terwijl het deelbewijs/de klasse een winst van 10% boekt, bedraagt de alfa van het fonds 4).

Basisconsumptie: bedrijven die essentiële goederen en diensten verkopen (zoals levensmiddelen e.d.).

Duurzame consumptie: bedrijven die niet-essentiële goederen en diensten verkopen (zoals luxeartikelen e.d).

Bottom-up-aanpak: bottom-up-beleggingsaanpak: een beleggingsaanpak die gebaseerd is op het analyseren van bedrijven waarbij het profiel, het management en het potentieel van de betreffende bedrijven belangrijker worden geacht dan de algemene trend van de markt of de sector (in tegenstelling tot een top-down-beleggingsaanpak).

Bruto-blootstelling: som van de long- en short-posities die de beheerders hebben ingenomen.

Netto-blootstelling: verschil tussen de long- en short-posities.

Long-positie: wanneer een belegger een effect koopt in de hoop dat het in waarde zal stijgen, zodat hij het eventueel tegen een hogere prijs kan verkopen, of om dividenden te ontvangen.

Short-positie: deze term verwijst naar een ongedekte verkooptransactie, in het Engels short selling genoemd, waarbij een belegger een effect verkoopt dat hij zelf niet in bezit heeft. Het principe van ongedekte verkoop bestaat erin dat een effect wordt geleend en onmiddellijk wordt verkocht om het later weer terug te kopen, bij voorkeur tegen een lagere prijs.

"Unconstrained"-aanpak: een actieve aanpak die niet ingeperkt wordt door een referentie-indicator, waardoor een grotere flexibiliteit ontstaat in termen van risicobeheer en het fonds het hoofd kan bieden aan zeer uiteenlopende marktomstandigheden.

Bèta: bèta is een maatstaf voor het verband tussen de schommelingen in de netto-inventariswaarde van een deelbewijs/klasse en de schommelingen in de waarde van de referentie-indicator.

  • Een bèta van minder dan 1 betekent dat het deelbewijs/de klasse de schommelingen van de index "afzwakt" (bij een bèta van 0,6 stijgt het deelbewijs/de klasse met 6% als de index met 10% opveert en verliest het deelbewijs/de klasse 6% als de index met 10% daalt).
  • Een bèta van meer dan 1 betekent dat het deelbewijs/de klasse de schommelingen van de index "versterkt" (bij een bèta van 1,4 stijgt het deelbewijs/de klasse met 14% als de index met 10% opveert en verliest het deelbewijs/de klasse 14% als de index met 10% daalt).
  • Een bèta van minder dan 0 betekent dat het deelbewijs/de klasse omgekeerd reageert op de schommelingen van de index (bij een bèta van -0,6 daalt het fonds met 6% als de index met 10% opveert en omgekeerd).

Referentie-index/referentie-indicator/benchmark: een vergelijkingsindex voor de beoordeling van het rendement van een ICBE. Beurswaarde: een maatstaf voor de omvang van een bedrijf die berekend wordt door het totale aantal aandelen te vermenigvuldigen met de actuele koers. Over het algemeen wordt een bedrijf op basis van zijn omvang ingedeeld als kleine, middelgrote of grote kapitalisatie.

Morningstar-categorie: categorie die door Morningstar bepaald is op basis van de effectieve beheerstijl en niet alleen op basis van de opgegeven beleggingsdoelstelling.

Klik op de website van Morningstar voor meer informatie over de categorie http://advisor.morningstar.com/Enterprise/VTC/CategoryDefinitionsEAA%20_Apr%202017.pdf

Indeling (in kwartielen) volgens Morningstar: met behulp van de kwartielen worden de gegevens ingedeeld in vier gelijke groepen. Uitgedrukt in rang (1, 2, 3 of 4) geeft de kwartielindeling aan hoe het deelbewijs/de klasse gepresteerd heeft ten opzichte van alle andere fondsen in zijn/haar groep. De eerste 25% ervan bevindt zich in het eerste kwartiel, de volgende 25% in het tweede en de volgende groep in het derde kwartiel. De laatste 25% met de slechtst presterende fondsen bevindt zich in het vierde kwartiel. Alle indelingen van de verschillende categorieën vindt u op de website van Morningstar: http://www.morningstar.fr/fr/help/methodology.aspx

Prestatievergoeding: door de beheerder ontvangen vergoeding die rechtstreeks verband houdt met de prestaties van de door hem beheerde activa.

Correlatie: meet hoe effecten of activaklassen zich ten opzichte van elkaar ontwikkelen. Sterk gecorreleerde beleggingen hebben de neiging om in gelijke richting te fluctueren, terwijl zwak gecorreleerde beleggingen de neiging hebben om, afhankelijk van de marktomstandigheden, verschillende rendementen te genereren, wat beleggers diversificatievoordelen biedt. De correlatie wordt gemeten tussen 1 (perfecte correlatie) en -1 (perfecte omgekeerde correlatie). Een correlatiecoëfficiënt van 0 suggereert dat er geen correlatie is.

Kredietcyclus: de kredietcyclus geeft de verschillende fasen van toegang tot krediet voor kredietnemers weer. In de cyclus worden periodes van gemakkelijke toegang tot kapitaal, met name dankzij een lage rente, afgewisseld met periodes van inkrimping, wanneer de regels voor het verstrekken van leningen strenger zijn en de rente hoger is.

Duration: de duration van een obligatie is de termijn waarna het rendement niet meer beïnvloed wordt door renteschommelingen. De duration is de geactualiseerde gemiddelde looptijd van alle geldstromen (rente en kapitaal).

Aanbevolen minimale beleggingstermijn: het deelbewijs/de klasse is mogelijk niet geschikt voor beleggers die voornemens zijn hun inleg voor afloop van de aanbevolen termijn terug te trekken. Deze verwijzing naar een bepaald beleggersprofiel is geen beleggingsadvies. Welk bedrag redelijkerwijs in een fonds kan worden belegd, hangt af van uw persoonlijke situatie en dient te worden beoordeeld aan de hand van uw totale portefeuille.

GBF: Gemeenschappelijk Beleggingsfonds.

Actief beheer: een aanpak van beleggingsbeheer waarbij de beheerder beoogt om op basis van onderzoek, analyse en zijn of haar eigen mening beter te presteren dan de markt.

High yield: high-yield-obligaties of -kredieten (of hoogrentende obligaties of kredieten) hebben vanwege hun hogere wanbetalingsrisico een lagere rating dan "investment grade". De rente op dergelijke effecten is doorgaans hoger.

Financiële termijninstrumenten/termijncontracten: een termijncontract is een op maat gemaakt contract tussen twee partijen dat betrekking heeft op de aan- of verkoop van een actief op een bepaalde datum tegen een bepaalde prijs. Een termijncontract kan worden gebruikt voor afdekkings- of speculatieve doeleinden. Door het niet-gestandaardiseerde karakter ervan is een termijncontract echter bijzonder geschikt voor afdekkingsdoeleinden. In tegenstelling tot gestandaardiseerde termijncontracten, kunnen in onderhandse termijncontracten de grondstof, het bedrag en de leverdatum specifiek worden gedefinieerd. Een termijncontract kan contant of bij levering worden afgewikkeld.

Investment grade: obligaties of kredieten met een door de ratingbureaus toegekende rating van AAA tot en met BBB- en een relatief laag wanbetalingsrisico.

Zonder benchmark: opbouw van een portefeuille die het resultaat is van de aanpak en marktanalyse van de beheerder, onafhankelijk van een eventuele benchmark. Kettingmethode: deze bestaat erin dat wiskundig rekening wordt gehouden met het veranderen van de benchmarkindex van een fonds om het rendement ervan te berekenen.

ICBE: Instelling voor Collectieve Belegging in Effecten die valt onder Europese Richtlijn 2009/65/EG, inclusief latere wijzigingen. Een ICBE wordt ook wel UCITS genoemd.

Roerende voorheffing: belasting op de inkomsten uit roerende goederen van particuliere beleggers. De roerende voorheffing is van toepassing op alle interesten en dividenden. De roerende voorheffing is bevrijdend, d.w.z. na betaling is de belasting definitief verschuldigd en is de belegger niet langer verplicht deze op zijn belastingaangifte aan te geven.

Risico- en rendementsprofiel (ook 'SRRI' genoemd): deze indicator geeft de jaarlijkse historische volatiliteit van het deelbewijs/de klasse over een periode van 5 jaar weer. Het doel van de indicator is de belegger inzicht te geven in het onzekere karakter van de verliezen of winsten die zijn belegging kunnen beïnvloeden. Het is mogelijk dat de voor de berekening van deze indicator gebruikte historische gegevens geen betrouwbare indicatie vormen van het risicoprofiel van het fonds in de toekomst. De aan dit deelbewijs/deze klasse verbonden risico- en rendementscategorie is niet gegarandeerd, kan in de loop van de tijd veranderen en vormt geen beleggingsadvies. Indeling in categorie 1 betekent niet dat de betreffende belegging risicoloos is. De categorieën 4, 5, 6 en 7 impliceren een hoge tot zeer hoge volatiliteit, met grote tot zeer grote prijsschommelingen die op korte termijn tot latente verliezen kunnen leiden. Deze indicator houdt onvoldoende rekening met bepaalde risico's. Raadpleeg het document met essentiële beleggersinformatie voor meer informatie.

Gemiddelde rating: een financiële maatstaf voor de kredietwaardigheid van een kredietnemer (emittent van de obligatie). Ratings worden gepubliceerd door ratingbureaus en bieden de belegger betrouwbare informatie over het risicoprofiel dat aan een schuldbewijs is verbonden.

Sharpe-ratio: de verhouding tussen het extra rendement dat een effect biedt in vergelijking met een risicoloze belegging enerzijds en de standaardafwijking van dat extra rendement anderzijds. Het betreft dus een maatstaf voor het marginale rendement per eenheid gelopen risico. Wanneer deze positief is, loont het nemen van risico meer naarmate de ratio hoger is. Een negatieve Sharpe-ratio betekent niet per definitie dat het rendement van de portefeuille negatief was, maar dat deze lager was dan dat van een risicoloze belegging.

Herbalancering van een index/geherbalanceerd: de herbalancering van een index bestaat uit het regelmatig aanpassen van de strategische allocatie van een samengestelde index/benchmark, met name om mechanische afwijkingen als gevolg van marktgedrag te voorkomen. Het doel is dan ook om de wegingen met regelmatige tussenpozen terug te brengen tot het oorspronkelijke niveau. Herbalancering wordt toegepast om de weging van de activaklassen aan te passen.

Rentegevoeligheid: meet het effect van rentewijzigingen op de waarde van de obligatieportefeuille van het deelbewijs/de klasse. De rentegevoeligheid van de portefeuille is gelijk aan de kapitaalfluctuatie van de portefeuille (in %) bij een wijziging van de rentevoet van 100 basispunten. De rentegevoeligheid is een indicator van het renterisico waaraan het deelbewijs/de klasse is blootgesteld. Naarmate de rentegevoeligheid toeneemt, is het deelbewijs/de klasse gevoeliger voor het renterisico. Bij een hogere rentegevoeligheid is de impact groter, zowel opwaarts als neerwaarts. De rentegevoeligheid geeft dus een indicatie van de te verwachten winst of het te verwachten verlies bij een daling (stijging) van de rente.

Een rentegevoeligheid van +1 voor een fonds/compartiment betekent dat:

  • de waarde ervan met 1% zal stijgen in geval van een daling van de rente met 1%, en dat
  • de waarde ervan met 1% zal dalen in geval van een stijging van de rente met 1%.

Een rentegevoeligheid van +2 betekent dat:

  • de waarde ervan met 2% zal stijgen in geval van een daling van de rente met 1%, en dat
  • de waarde ervan met 2% zal dalen in geval van een stijging van de rente met 1%.

Een rentegevoeligheid van +4 betekent dat:

  • de waarde ervan met 4% zal stijgen in geval van een daling van de rente met 1%, en dat
  • de waarde ervan met 4% zal dalen in geval van een stijging van de rente met 1%.

SICAV: Société d’investissement à Capital Variable/Beleggingsmaatschappij met Veranderlijk Kapitaal.

Aandelenbeleggingsgraad: het in aandelen belegde bedrag van de activa, uitgedrukt als percentage van de portefeuille.

Aandelenblootstelling: de beleggingsgraad plus de impact van derivatenstrategieën. Dit is het percentage activa dat werkelijk blootgesteld is aan een bepaald risico. Derivatenstrategieën kunnen ten doel hebben de blootstelling aan onderliggende activa te verhogen (dynamiseringsstrategie) of te verlagen (afdekkingsstrategie).

Bijvoorbeeld: een aandelenbeleggingsgraad van 95% betekent dat 95% van de activa van het deelbewijs/de klasse rechtstreeks belegd wordt op de aandelenmarkten:

  • een aandelenblootstelling van 75% betekent dat de reële blootstelling van het deelbewijs/de klasse aan aandelenmarktrisico's 75% is, waarbij de beleggingsgraad van 95% verlaagd wordt door het gebruik van derivaten.
  • een aandelenblootstelling van 100% betekent dat de reële blootstelling aan aandelenmarktrisico's 100% is, waarbij de beleggingsgraad van 95% verhoogd wordt door het gebruik van derivaten.

Taks op beursverrichtingen (TOB): Belgische taks die, indien van toepassing, een heffing toepast op beurstransacties, zoals terugkoop- en overdrachtstransacties van ICBE's. De hoogte van de heffing en de regelgeving zijn aan veranderingen onderhevig.

Actuarieel rendement: rendement op jaarbasis.

Trackrecord: de prestaties in het verleden.

UCITS: ICBE, Instelling voor Collectieve Belegging in Effecten: ICBE's zijn fondsen met een vergunning waarvan de verhandeling in een land van de Europese Unie is toegestaan.

VaR/Value at Risk: de Value at Risk (VaR) is het maximumbedrag dat een belegger op de waarde van een portefeuille met financiële instrumenten kan verliezen in een bepaalde bezitsperiode en bij een bepaalde betrouwbaarheidsinterval. Dit potentiële verlies wordt uitgedrukt als een percentage van het totale vermogen van de portefeuille en wordt berekend op basis van gegevens uit het verleden.

Netto-inventariswaarde (NIW) of intrinsieke waarde (IW): deze waarde vertegenwoordigt de waarde van de activa in de portefeuille van de ICBE (en haar liquide middelen) gedeeld door het aantal deelbewijzen of aandelen in omloop. De NIW dient als basis voor de bepaling van de inschrijvingsprijs (aankoopprijs) en de terugkoopprijs (verkoopprijs) van een aandeel van een SICAV/BEVEK of een GBF (aankoopprijs = netto-inventariswaarde van de ICBE, vermeerderd met de eventuele inschrijvingskosten en verkoopprijs = netto-inventariswaarde van de ICBE, verminderd met de eventuele terugkoopkosten). Netto-inventariswaarde = netto-activa/aantal uitgegeven deelbewijzen of aandelen. De netto-inventariswaarde die bij de Kenmerken wordt weergegeven, wordt berekend op basis van D-1.

Volatiliteit: de omvang van de prijs-/koersschommelingen van een effect, een markt of een index aan de hand waarvan de omvang van het risico in een bepaalde periode kan worden bepaald. Deze wordt bepaald door de standaardafwijking, die berekend wordt door de vierkantswortel uit de variantie te trekken. De variantie is het kwadraat van de gemiddelde afwijking ten opzichte van het gemiddelde. Hoe hoger de volatiliteit, hoe groter het risico.